www.wadden-wiki.nl, september 2013
door Ineke Noordhoff
Dit verhaal is het slot van de serie op www.Wadden-wiki.nl
‘Er gaat niets boven Groningen’, zo is de slogan. Letterlijk genomen is dat niet waar: Groningen heeft aan de Noordzijde een hele lange bijzonder boeiende grens met de Waddenzee. Het Werelderfgoed toont haar schoonheid met onbekrompen maat aan degenen die hier komen. De oostelijke Waddenzee is niet alleen een natuurgebied van internationale allure, het is ook de grootste wildernis die Nederland kent. Er gaat dus weldegelijk iets boven Groningen, iets wat zeer de moeite waard is.
Hoe laat dat fenomenale Wadden Werelderfgoed zich beleven vanaf de vaste wal, met die vraag ging ik deze zomer mede voor Marketing Groningen op pad. De Waddeneilanden zijn bij de meeste mensen wel bekend: de Noordzeestranden zijn er blinkend wit, de duinen dynamisch en florarijk terwijl het fietspad onderaan de waddendijk bezoekers de Waddenzee voluit laat beleven. Miljoenen bezoekers pakken een veerboot en vertoeven een paar dagen op een eiland om te genieten van de schoonheid van het landschap.
Je hoeft echter helemaal geen veerboot te nemen om bij de Waddenzee te komen. De hele Noord-Nederlandse kust grenst aan die unieke Waddenzee. Groningen heeft helemaal een voordeel want die provincie grens tachtig kilometer lang aan de Oostelijke Waddenzee – het meest dynamische en ongerepte stuk wad wat we op deze aarde bezitten. Bingo, zou je denken, daar wil iedereen naartoe. Een erfgoed van dezelfde importantie en bijzonderheid als de Grand Canyon. Daar worden miljoenen bezoekers langs geleid. Waarom trekt het Groningse waddenland zo weinig liefhebbers?
Afgelopen zomer verkende ik de kust en eerlijk is eerlijk: je moet vanaf de vaste wal heel wat moeite doen om de Waddenzee te bereiken. Bijna nergens staan bordjes: deze kant op voor ons mooie Werelderfgoed. Integendeel, bij boerderijen lijken kleine wegen die naar de Waddenzee lopen alleen voor eigen gebruik. Wie het, na bestudering van de kaart, toch aandurft er als gast overheen te lopen of fietsen (wat doorgaans best mag), stuit bij de dijk frequent op hekken. Soms roestige boerenhekken, vaker gegalvaniseerde traliewerken van de dijkeigenaar, het Waterschap. Heb je die ook kunnen passeren dan kun je de Waddenzee zien. De ruimte, de luchten, het geluid van de vogels en de wind. Wil je het zout op je huid voelen of een beetje kwelderklei onder je schoenzolen voelen, dan volgt de volgende barriere. Want aan de zeezijde van de dijk staan bordjes dat het gebied door Defensie gebruikt wordt of beschermd natuurgebied is. In beide gevallen ziet het eruit als een rode vlag: Ga hier weg.
Mijn advies: laat u niet wegjagen. Laat u de schoonheid en uitgestrektheid van het Groningse Wad niet ontnemen. De volksaard is hier misschien wat stug, de kust is soms ontoegankelijk, maar het is de moeite waard die krachten te weerstaan.
De verhalen op Wadden-wiki helpen u hopelijk de barrières te nemen.
De allegrootste ontdekking van afgelopen zomer vormt het waddenwandelen. Via een dicht netwerk van knooppunten is een netwerk van boerenlandpaden, waterschapspaden en andere onverharde paden met elkaar verbonden. De Groningse kust is zo voor wandelaars bijzonder prettig ontsloten. De wadden laten zich beleven vanaf de hoge waddendijk en vanaf de kwelderpaden (drie stuks) die het Groninger Landschap aanlegde (bij Hornhuizen, Noordpolderzijl en Nieuw Statenzijl). Maar zeker zo waardevol zijn de tochten door de kuststreek. Dorpen waar de zee vroeger de haven instroomde, liggen nu ingesloten door land. De inpolderingen van de innovatieve boeren hebben deze dorpen beroofd van hun contact met het water, maar soms zijn de havenkommen nog intact en ademen de huizen de rijkdom van ooit – toen ze nog aan de kust lagen.
De strijd tegen het water is in alle vezels van de streek voelbaar. Al was het maar omdat veel dorpen op een wierde liggen – een door de mensen gemaakte verhoging om met de zee te leven. Of omdat er zoveel authentieke middeleeuwse kerken middenop die wierden staan – symbolen van de vroegere rijkdom en macht van de kloosters maar ook prachtige vluchtplaatsen ingeval de zee al te hoog kwam. Maar misschien vooral omdat het Groninger land vol dijken ligt: van de vorige polder of van de volgende polder. Soms loop of fiets je door eendijkcoupure die weer gesloten kan worden als er zeewater dreigt.
De verkenningstochten hoeven zich echt niet te beperken tot de noordelijkste strook land. Rivieren als deHunze (nu het Reitdiep) en deFivel (in het Hogeland) sneden diep in het land waardoor dorpen als Loppersum en zelfs Stedum (hemelsbreed toch een kilometer of tien van de Waddenzee) tot de tiende eeuw direct aan zee lagen. Het is een prachtig landschap vol plooien en deuken die verhalen vertellen over de strijd tussen mens en zee. Dat geldt ook voor het Marnegebied waar dorpen als Zuurdijk – Zoutkamp – Vierhuizen een zeer oude historie hebben. De liefde voor de streek kan natuurlijk ook heel best ontluiken door de streekproducten die veelvuldig worden aangeboden (dat varieert van mosterd, tot vers gerookte paling (Gaele Postma Zoutkamp) en waddengarnalen (T ailand) of langs de weg verkocht vers fruit en jam.
Ook de culturele mogelijkheden zijn velerlei. Veel kleine Romaanse kerken worden gebruikt als concertpodium. En wie de verbinding met het Wadden Werelderfgoed wil voelen, hoeft maar op een toren te klimmen om de zee in zicht te krijgen.
De Nederlandse kust heeft dezelfde natuurlijke en culturele rijkdommen als Ost-Friesland in Duitsland, net aan de andere kant van de Dollard. Toch zijn er grote verschillen. Waar de Duitse kust floreert, is de Groningse waddenkust een krimpregio waar bewoners wegtrekken, winkels vegeteren of verdwijnen en de voorzieningen met hun rug naar de Wadddenkust lijken te staan.
Een dorp als Greetsiel zindert van het leven: de havenkom met vissers en recreatieboten wordt omzoomd door terrassen. In het dorp zijn viswinkels, supermarkten en winkels met snuisterijen. In molens en kerken zijn kleinschalige musea gevestigd waar je tijdens een regenbui rustig een middag zoet brengt. Schijnt de zon dan zitten de toeristen op de dijk – waar het recreatieschap een zandstrandje op heeft aangelegd.
In de Groningse Eemsmond ga ik op zoek naar ‘het strandje’ waarover ik gelezen heb. Na veel omzwervingen ontdek ik dat je bij een windmolen een hek door moet (zonder bordje of aanwijzing) om er te komen. De vele bordjes ‘verboden te parkeren’ bij de dijk, brachten me op een dwaalspoor. Een paar ondernemende Italianen staan verbijsterd te kijken: ze komen vanuit Hamburg en wilden onderweg naar Amsterdam de Groningse Waddenkust bewonderen. Is dit het?
Ik vraag Egge Knol, conservator van het Groninger Museum en bij uitstek kenner van de regio, hoe hij de verschillen tussen de Ostfriese en Groningse kust verklaart. Hij begint bij de Duitse gezondheidscultuur. De traditie om naar de kust te trekken vanwege de heilzame werking van de zee is daar honderd jaar ouder dan in Nederland. Koloniehuizen en kuuroorden zijn echt een Duits fenomeen.
Maar ook de beschikbaarheid speelt een rol. Onze Randstad heeft een rij duinen in haar eigen achtertuin (Scheveningen en Zandvoort) terwijl de Duitse steden slechts een kleine kuststrook in eigen land bezitten. Daar knabbelde de Koud oorlog decennialang ook nog eens een flink stuk vanaf. Inmiddels zijn ook de kusten van Polen en Oost-Duitsland beschikbaar gekomen voor de Duitse stedelingen en is de druk van Duitse toeristen op Nederlandse stranden aan het verminderen.
‘En dan hebben we in Nederland het bizarre fenomeen dat men Groningen ontzettend ver weg vindt’, voegt hij eraan toe. De conclusie luidt dat er dus geen stroom vakantiegangers naar de Groningse kust is ontstaan, terwijl die naar een vergelijkbaar gebied even oostelijker wel nadrukkelijk tot bloei in de regio heeft geleid. Misschien was er in Groningen zelf lange tijd ook niet veel behoefte aan het ontwikkelen van toerisme. Tot de jaren vijftig was er behoorlijk wat werk in de agrarische sector en verwante industrie. Maar dat is opgedroogd en daarmee is de vraag welke nieuwe pijlers er onder de regionale economie gebouwd kunnen worden sterker dan ooit aan de orde.
Biedt de Waddenzee kansen? Zeker. De Waddenzee is op vele manieren te beleven. Mijn mooiste ervaring is een vliegtocht naar Juist – van boven zie je de geulen en prielen snijden door de zandplaten, je ziet de zeebodem door een laag water. Wanneer je tussen droogvallende platen ligt met een schip of als je loopt door een landschap dat net is drooggevallen ervaar je de dynamiek van het Waddenland. Maar ook als je van de dijk afloopt de kwelder op voel je de oerkracht van de zee. Probeer de nieuwe kwelderpaden maar eens!
Kun je zo’n ervaring gunnen aan een stroom toeristen, gaat de wildernis dan niet teloor? De Waddenzee is zo’n uniek natuurgebied dat er in het kader van allerlei wetten en regels beschermende maatregelen gelden. Te samen vormen die een bestuurlijke afweerlaag die zo dik is dat er nauwelijks initiatieven kunnen passeren. Die afweer komt voort uit goede motieven (we moeten met zijn allen goed op dit bijzondere Werelderfgoed passen). Maar hoe kunnen wij burgers nou houden van een Werelderfgoed wat we niet kennen?
Egge Knol formuleert het wederom glashelder: ‘Als je een gebied afsluit, kun je het niet beleven en trekt het geen bezoekers.’ Voor het draagvlak van de Wadden is het belangrijk dat we nog meer creativiteit stoppen in initiatieven om mensen het gebied te laten beleven.