door Herman Wijffels
De mens is onderdeel van de natuur, en als dat ergens voelbaar wordt dan is het op het boerenbedrijf. In mijn jeugd moest ik helpen met het koppen van de bieten op het Zeeuwse akkerbouwbedrijf van mijn vader. Ik hield van dat werken onder de blote hemel. Die wereld komt tot leven als ik de verhalen in dit boek lees.
In het industriële tijdperk heeft onze samenleving geweldige vooruitgang geboekt. De productiewijzen op het land zijn ingrijpend gemoderniseerd, maar daarbij hebben we onszelf buiten de natuur geplaatst. Ook de landbouw, de bedrijfstak die bij uitstek afhankelijk is van de grond en het weer, heeft zich losgezongen van de omgeving. Zo kregen de vernieuwingen, die over de hele linie grote welvaart brachten, desastreuze gevolgen voor vogels, planten en de binding van de mens met het landschap. Daarmee heeft de kentering waar we nu voor staan een grote urgentie gekregen. We kunnen niet doorgaan met het uitputten van de aarde, maar we moeten op zoek naar een duurzamer evenwicht.
In deze nieuwe fase zullen we een plek moeten zoeken voor onszelf als onderdeel van die natuur. Voor veel stedelingen is die omslag nog ver weg. Op het land zijn die veranderingen echter heel concreet: de vaders die de productie rationaliseerden, en hun zonen die nu ieder op hun eigen manier worstelen met de gegroeide tegenstelling tussen productie en natuur. Zij hopen op de boerderij te kunnen blijven wonen en werken en zijn daarom naarstig op zoek naar een nieuwe balans. Het zijn stuk voor stuk eigenzinnige mensen die gewend zijn om hun bedrijfsvoering aan te passen aan veranderende omstandigheden.
De industriële revolutie kon van bovenaf worden aangestuurd; de huidige omslag naar duurzaamheid voltrekt zich vooral van onderaf. Er zijn geen voorgangers die de weg wijzen. Wel barst het van de belemmeringen om in beweging te komen. Het zijn individuen die besluiten om het anders te gaan doen. Daarom is het zo belangrijk om kennis te maken met deze mensen, zoals in dit boek gebeurt. Wat drijft hen ertoe om bomen te poten waarvan ze economisch gesproken alleen maar last hebben? Hoe vergaat het hun in hun pogingen om natuur meer te integreren in het boerenbedrijf?
Sommige boeren uit dit boek worden sterk gedreven door ideologie, maar vaak ook zijn het praktische motieven die de aanzet geven om natuur een rol te geven in de bedrijfsvoering. Wat echter ook het motief is, het gaat erom dat mensen in beweging komen.
De bedreiging – de uitputting van onze aarde – biedt ook kansen. Bijna alle mensen in dit boek zijn in beweging gekomen. De een werkt op grond pal bij een natuurgebied, de ander werkt op vruchtbare kleiakkers die voor de voedselvoorziening van groot belang zijn – zoals in het mij zo bekende Zeeland. Zij laten inkomsten liggen ter wille van de natuur. Ze vertellen waarom ze dat doen en hoe ze ervoor gecompenseerd worden door de overheid. Die openheid is belangrijk: het kan anderen inspireren en meer begrip kweken.
Soms lijken natuurbeschermers en landbouwers in twee verschillende werelden te leven. Deze verhalen gaan over de natuurwaarden en over het boerenbedrijf. Daarmee dragen ze ertoe bij de kloof tussen beide werelden te dichten. De beschrijvingen van het boerenleven en de natuur daaromheen hebben mij persoonlijk weer even teruggebracht in de wereld van mijn jeugd: de boerderij waar de natuurlijke orde je leven bepaalde.
Voorwoord van Op het land, Atlas, 2006. Een boek van Ineke Noordhoff