9 Vogels / Van Burgsteden
door Ineke Noordhoff / Foto Ellen Kok
‘Toen ik vijftien was, raakte mijn been in de mestverspreider.’ Albert van Burgsteden, een jonge veertiger, zit in zijn kantoor op de boerderij in het dorp Een (tussen Assen en Drachten op de grens van Drenthe en Friesland). Achter de muur waartegen een onafzienbare rij met groene ordners staat, heeft Joost, zijn medewerker, net 110 koeien gemolken. Hij tilt zijn broekspijp op en laat een been vol rood-paars littekenweefsel zien.
(Verkorte versie uit Op het land)
Ik heb een jaar in het ziekenhuis gelegen en ben nog zeker een jaar bezig geweest met revalideren. Daarna kostte het me moeite om aansluiting te krijgen bij leeftijdsgenoten. Ik was snel moe, dronk niet, en ging niet uit, dan ben je natuurlijk al gauw anders dan de anderen. Zo’n ingrijpende gebeurtenis brengt iets in je naar boven: “Ik zal laten zien dat ik het ook kan”, zoiets. Doorleren is altijd goed, zeiden mijn ouders. Ze hadden zelf ook een goed stel hersens maar bij hen was er vroeger thuis geen geld om naar school te gaan. Dus ging ik naar de Hogere Landbouwschool.
‘Ik weet als eerste dat grond te koop komt’
Ik zat in het vierde jaar toen we de module landinrichting kregen. Dat boeide me. Mijn vader had veel gedaan aan modernisering van de productie. Hij was vooral bezig met de koeien en de gebouwen. Hij had drie keer geprobeerd wat grond bij te kopen en te ruilen voor grond bij de boerderij, maar dat lukte telkens niet.’
In 1985 kwam er een vernieuwde Landinrichtingswet, die naast boeren ook natuur en recreatie de ruimte bood bij het herverkavelen van land. ‘Bijna niemand weet het, maar daarin staat dat als je met minstens drie partijen tot een ruil komt, de overheid de kosten van de transactie draagt. Dan heb je het bijvoorbeeld over de kosten van de notaris, het inmeten, verzetten van de hekken. Die hele transactie kost je dan niets.
Als boer stap je gemakkelijk eens binnen bij collega’s voor een gesprek. Terloops hoor je van alles en je kunt eens iets aftasten. Ik noem dat de ‘stalpaal-gesprekken’. Als mensen weten dat je belangstelling hebt, klept dat zich door. Ik weet veelal als eerste dat er in de buurt grond te koop kwam. Via de veehandelaar, de bank of de kruidenier in het dorp krijg ik tips. En af en toe geef je iemand wat terug. Zo werkt dat.
Wij hadden in die tijd een superintensief melkbedrijf en we kochten grond waar geen boer heen wilde. Dat hebben we vier keer gedaan, in totaal zo’n 17 hectare.’ De natte landen aan de oevers van deze beek hebben als natuurdoel het stempel weidevogelland gekregen van de provincie. ‘Daar ben ik blij om, met botanisch land kan ik niet veel. Dan moet je vee tot half juni op stal blijven en je mag er geen mest op gooien. Dit weidevogelland blijkt goed te passen in ons melkveebedrijf.’
‘Grond is hier schaars; mijn zwager in Oost-Duitsland weet niet eens precies hoeveel hectare land hij heeft; ik weet het op de centimeter nauwkeurig. Omdat het hier duur is. En zolang ik daar geld onder heb zitten, wil ik voor natuurdiensten betaald worden. Zo gaat dat in de winkel toch ook?’