‘Zonder premie stond er misschien maïs’

7 Bomen / Harm Veeneman

 

door Ineke Noordhoff / Foto Ellen Kok

De boerderij van Harm Veeneman (45) ligt tegen het bos van het landgoed Enghuizen in Hummelo. Hij heeft een hele praktische reden om de natuur op zijn bedrijf te omarmen: ‘Je zoekt extra inkomsten want de landbouwprijzen dalen en de pacht gaat wel iedere drie jaar omhoog.’

De wandeling in Hummelo komt langs het bedrijf van Harm Veeneman.

(Verkorte versie uit Op het land)

In De Graafschap heeft het landschap opmerkelijke karakteristieken uit een oude tijd behouden. Hier is een vijfde van de boeren ingeschakeld bij het betaalde natuurbeheer. Dat is twee keer zoveel als gemiddeld in Nederland. Het kunnen er nog veel meer worden.‘Iedere boer heeft wel hier of daar een hoekje met bomen. Ik heb vier kilometer bosrand te onderhouden. Wij zitten er dus middenin– dan moet je er anders mee omgaan’, verklaart Harm zijn gedeeltelijke overstap naar natuurbeheer.

Armoe

Veertig procent van de boeren zit onder het minimuminkomen, meldt hij achteloos. De statistieken geven hem gelijk. Niet alleen is het naar Nederlandse maatstaven ‘armoe’ bij bijna de helft van de boeren, maar liefst een op de zes landbouwers heeft een negatief inkomen. ‘Een paar jaar geleden had ik echt zorgen om de kinderen. Je wilt in dit klimaat niet dat je privé-uitgaven afhankelijk zijn van de koeien’, licht hij zijn worsteling van destijds toe. Want de melkprijs daalt en de kosten worden steeds hoger, net als het schoolgeld. Hij heeft het sommetje vaak gemaakt, zowel overdag als ’s nachts.

‘Stoppen is een hele onderneming. Je kunt als pachter de helft van je melkrechten bij het landgoed inleveren, en over de andere helft moet je afrekenen met de fiscus.’ Hij heeft de verbreding van het bedrijf gevonden in de natuur. ‘Kijk, daar heb ik een rij knotwilgen aangepoot’, wijst hij. Zijn vader vindt het niks: “Hoe kun je dat doen?” vraagt die zich af. Bomen geven schaduw, en waar de zon niet komt, daar groeit niks. Harm kijkt daar anders naar: ‘Elke drie jaar moet je ze knotten, dus dat betekent een berg werk.’ Met de beheerpremie van 4,17 euro per boom per jaar haalt hij 2500 euro binnen.

Nu hij heeft gezien hoe het werkt met natuurpremies heeft hij inmiddels ook enkele percelen die wat hoger liggen aangemeld voor Programma Beheer. ‘Die ben ik aan het verschralen zodat er meer plantengroei in komt. Dat trekt weer insecten en zo krijgen we een beter ecologisch evenwicht. Het zijn ongelijke percelen met wat lage hoeken. Daardoor hebben ze landbouwkundige beperkingen. Voor natuur zijn deze stukken land juist heel geschikt. Omdat je geen bestrijdingsmiddelen mag gebruiken moet je die percelen steeds controleren, dat maakt ze best intensief om te beheren. Planten als ridderzuring moet je lokaal bestrijden. Normaal grasland hooi ik zes keer per jaar, dat natuurland heb ik dit jaar maar één keer gehooid.’ Behalve de speciale behandeling die Harm de zeven hectare ‘natuurland’ geeft, merkt hij dat op de andere akkers (29 hectare gras en elf hectare maïs) steeds minder kunstmest gooit: ‘Ik gebruik nu nog de helft vergeleken met vroeger.’

Grootgrondbezitters remmen ontwikkeling

De schaalvergroting die boeren elders in het land ruimte bood om hun inkomen op peil te houden, is in deze streek niet goed doorgedrongen. Dat zie je aan het landschap, waar pittoreske oude wallen en bosranden de boventoon voeren. En dat kom je opnieuw tegen in de structuur van de boerenondernemingen. Veel bedrijven zijn klein gebleven. Eigendom speelt daarin een belangrijke rol. Ook de rentmeester van het bedrijf van Harm en zijn vader stond in de jaren zeventig, toen de schaalvergroting om zich heen greep, op de rem.

‘We hebben jarenlang bij de rentmeester aangedrongen op een moderne ligboxenstal. Die geloofde er niet in. Hij dacht “Straks gaan die boeren failliet en zit ik met die dure stallen.” Mijn vader kon als pachter lange tijd dus geen financiering krijgen voor een ligboxenstal. Wanneer je eigen grond of een eigen huis hebt, kun je die in onderpand geven aan de bank. Als pachter heb je niets.

In deze streek waren we dus tien jaar later met ligboxenstallen dan elders.’ Daarmee waren pachters dubbel in het nadeel. ‘Veel stallen zijn hier te laat gebouwd’, zegt Harm een beetje nors. ‘Kijk om je heen. In hoeveel stallen staan geen caravans? Daarvoor zijn die stallen natuurlijk niet gebouwd. Die boeren hebben de roosters dicht moeten storten met beton vaak nog voordat de stal was afgeschreven.’ Met een melkprijs die terugkachelde werd het steeds moeilijker om een fatsoenlijk gezinsinkomen uit het bedrijf te halen.

Sanering

Ook voor Harm dreigde de stekker eruit te gaan. Hij kwam terecht bij Imelda Hanselman, loopbaan begeleidster. Bij haar kwam Harm op het idee om natuur een plaats te geven op zijn bedrijf en zo redde hij het weer. ‘Ik zie veel boeren zoals Harm Veeneman langskomen. Vaak worden ze gestuurd door hun vrouw of vrienden omdat het in financieel opzicht eigenlijk niet meer gaat met hun bedrijf.’ Als dochter van een veeboer herkent Imelda veel problemen. ‘Sommigen komen hier nadat ze al jaren hebben zitten piekeren. Ik hoor nu veel boeren twijfelen: “Of ik stop of ik moet er iets kunnen bijverdienen”, zeggen ze. De meeste boeren willen helemaal niet van het bedrijf af, maar het lukt ze niet meer om rond te komen. Door er iets bij te doen, hopen ze nog een poos op de boerderij te kunnen blijven.

Ik wist dat bij Harm in de buurt de agrarische natuurvereniging ’t Onderholt actief was. Dat is een groep boeren die in de winter bezig is met aanleg en onderhoud van natuur. Daar heb ik hem op gewezen.’

Harm: ‘Ik ga daar nu sinds vier jaar in de winter twee dagen per week heen. Ik werk graag met hout.’ Het levert hem zo’n vierduizend euro aan direct inkomen per jaar op. Net genoeg om aan de goede kant van de streep te blijven. ‘Acht uur op een dag naar een baas dat kan natuurlijk niet: ik moet eerst de koeien melken, en als er een koe aan het kalven is, kun je bij de meeste bazen echt niet een uur later aan komen. Mijn bedrijf gaat voor, bij ’t Onderholt weten we dat van elkaar.’

‘Natuurbeheer moet business worden’, zegt Carel de Vries, voorzitter van ’t Onderholt. ‘Mensen wonen hier graag, ze komen in De Graafschap om te recreëren in de hotels en op de campings. Als je vraagt “Waarom vindt u het hier leuk?”, krijg je te horen “Lekker langs de bosrand lopen”. De afwisseling van bomen en wei, dat vinden mensen mooi. Landbouw levert naast voedsel ook landschap op. Boeren hebben het landschapsbeheer er altijd bij gedaan en dat werkte zolang de natuur voor hen een functie had. De meeste landschapselementen hebben hun nut verloren. Het is leuk om te snappen hoe het werkte: een boer had houtwallen nodig om het vee in de wei te houden. Hij plantte wat hakhout en gebruikte dat in de kachel, maakte er bezemstelen van en dampalen. Om de paar meter zie je in zo’n houtwal een mooie overstaande eik. Dat was om eens per eeuw een nieuwe schuur te kunnen bouwen.
Wij zien het landschap tegenwoordig als een leuk decor, in feite doen boeren aan landschapsdesign.’ Een brede grimas onderstreept het genoegen dat hij eraan beleeft om twee totaal verschillende werelden met elkaar te verbinden. ‘Een cultuurlandschap in stand houden zonder cultuur lukt niet. Waar de boeren met hun koeien vertrekken, verdwijnen de kenmerkende flora en de weidevogels en resteert een levenloze monocultuur van pitrus. Haal de voedselproductie uit het systeem en je biotoop verandert. Je krijgt een ander bodemleven, en dat bepaalt welke vogels en insecten er kunnen leven.
We vinden met z’n allen natuur en landschap waardevol, maar wat is het ons waard?’

Lees over de oplossingen die ’t Onderholt bedacht verder in Op het land.